De laatste weken, de coronacrisisweken, zeg maar, is deze levensles mij weer veelvuldig in het hoofd geschoten, nu jan en alleman over elkaar heen buitelt om ons, en dus ook mij, ongevraagd een hart onder de riem te steken. Of een riem onder het hart, dat mag ook van het woordenboek. Hierbij is de idee, dat ons in deze moeilijke tijd moed moet worden ingesproken. Wij moeten moed houden, de moed niet verliezen. Dit wordt dan gedaan door mensen, of kleine groepjes mensen, die de overtuiging hebben, dat wij uitgerekend op hún bemoediging zitten te wachten.

Het begon met onze koning en onze burgemeester. Nou kan je daar nog van zeggen, dat zulks hoort bij de ceremoniële kant van hun baan. Zij worden er als het ware voor betaald. Zij zeggen dan ook, dat zij met hun hele hart bij ons zijn. Ikzelf merk of voel daar hoegenaamd niks van, maar voor anderen kan die boodschap natuurlijk best opgaan. Bedenkelijker wordt het als ook zogenaamde BN-ers zich geroepen voelen om voor ons een troostrijk lied te zingen onder de titel 'Zon'. Een keur aan zogenaamde influencers en tweederangs BN-ers stond te trappelen om mee te doen. Enig zangtalent was niet nodig. U kunt zich wellicht iets voorstellen bij het niveau van het lied en de kille en afkeurende reacties erop. Ieder zag hoe zij poogden een slaatje te slaan - je moet wel iets dóén om BN-er te zijn en te blijven - en zij kregen derhalve het deksel op hun neus. Stank voor dank vond Ellie Lust.

Ook dichter bij huis echter gonst het van de opmontering, bemoediging en troost. De een zingt liedjes voor elke geranium, waarachter hij een oudere dame of heer vermoedt, de ander maakt foto's van gezinnetjes, die achter hun eigen venster opgesloten zitten- in plaats van dat ze zelf even naar moeder of vader gaan zwaaien - en weer een ander schilt aardappelen voor de voedselbank, waar ze in tijden van Corona kennelijk extra trek hebben. En natuurlijk willen ze allemaal even op de foto voor in de krant of op Facebook of Instagram. Dat de mensen van hun goedheid weten. De behoefte om troost te bieden lijkt vele malen groter dan de behoefte om troost te ontvangen. In Afrika worden kinderen geworven om tegen betaling een seizoen weeskind te spelen ten behoeve van westerse rijkeluiskinderen, die graag iets goeds willen doen voor hun onfortuinlijke medemens tijdens hun vakantie. Daar moest ik dezer dagen aan denken.

Als aanmoediging geldt natuurlijk, dat deze acties, deze erupties van medemenselijkheid, deze 'prachtige vormen van onbaatzuchtige naastenliefde' door velen erg mooi worden gevonden. Zeker onder vrienden, die hen toch al een prachtig mens vonden.

Aan mij is het echter niet besteed. Ik vind het helemaal niet zo moeilijk eigenlijk. Het is lekker rustig, ik heb een fijn huis, de natuur is weldra op haar mooist, we ontmoeten de kinderen tijdens een wandeling - waarbij we een beetje afstand houden - de buurjongetjes lijken nergens onder te lijden, we kijken een filmpje op Netflix of een dansvoorstelling van het NDT, de Albert Heyn komt de boodschappen gewoon brengen en wat vaker dan normaal bestellen we een maaltijd bij de plaatselijke horeca en gaan uit eten aan de eigen tafel. Met een glaasje wijn. En als ik met het hondje loop, loopt of holt niemand tegen me op. En geknuffeld door wildvreemden werd ik toch al niet.

Op mijn deur een zelfgemaakte ja-nee-nee-sticker: geen hart onder de riem en ook geen riem onder het hart.

Jos Huibers

jos.huib@icloud.com