In stilte ben ik wel een tijdje bang geweest, dat ook de lente zich, vanwege Corona zou uitstellen tot in oktober en de winter tot aan dat moment zou voortmodderen, maar nee, de lente is niet vatbaar voor virussen. Om mij heen heb ik hier en daar horen opperen, dat deze mooie, vroege, zonnige en hevige lente ons van boven gegeven was om troost te bieden in deze ‘zware tijden’, maar ik ben helaas niet goedgelovig genoeg om dat te geloven, hoe aanlokkelijk ook. Ik bedoel, het lijkt me heerlijk om goedgelovig te zijn, maar zoiets ben je of je bent het niet. ‘Je hebt tenslotte jezelf niet gemaakt’, zou buurvrouw Bea zeggen en daar heeft ze ergens nog gelijk in ook. De lente is een wonder op zichzelf. Sinds jaar en dag.

Toch heb ik dit jaar veel meer en vaker en ook door anderen dan door wollen sokken alleen horen getuigen, dat de natuur voorwaar ‘een wonder is’ en dat dit vooral geldt voor de lente. Hoe uit de bruine winterbrei alles weer vernieuwt, hoe alles wat verdwenen leek, weer doodgewoon verschijnt in nieuwe pracht. Alsof we juist in dees’ coronatijd meer tijd en ruimte hadden om acht te slaan op dit wonder. Omdat we minder tijd verpoosden en vermorsten in de kunstmatige wereld, de winkel, de modezaak, de supermarkt, het kantoor, de bioscoop, de disco, de dancing, de meubelboulevard, de auto, de bus, de trein, de Efteling, de sauna, het museum, het theater, de sportschool, de kunstskibaan, het stadion of de kantine van de camping of tennisclub. Het schijnt dat zelfs Tinder en andere datingsites zijn stilgevallen, omdat de daarbij horende fysieke ontmoeting, de veelal beoogde lichamelijke vereniging, zeg maar, ook niet zonder risico kan worden uitgevoerd en dat scheelt behoorlijk in het geslachtsverkeer. En dat we maar zijn gaan wandelen of fietsen of in de eigen tuin gaan zitten, omdat we toch niks beters te doen hadden. Dat we daarom de natuur weer eens werkelijk zagen en elkaar over anderhalve meter toeriepen, dat deze natuur ‘toch een wonder is’, goedgelovig of niet.

De euforie werd danig op de proef gesteld, toen er een beetje regen kwam en de temperaturen daalden tot ouderwetse Hollandse waarden. Terstond keerde het gebruikelijke weergemopper weer: over de kou, over de wind, over de regen, over de wisselvalligheid van ons klimaat. En hoezeer ik mijzelf en anderen de weerswaardigheden als een koe ook aanpraatte, dat het goed is voor de tuin en voor de boer, dat het land smacht naar een beetje water, dat onze natuur alleen bij de gratie van regen kan bestaan, dat we juist dankzij ons klimaat zo welvarend zijn, dat de wind goed is voor de molens, waaronder onze gerestaureerde molen ‘Nooit Volmaakt’, in stilte betrap ik mij op het stiekeme verlangen dat deze lente, deze coronalente, tot in eeuwigheid zou door duren. Maar zoiets zeg ik niet hardop. Zoiets denk ik zelfs niet hardop. Natuurlijk niet. Omdat ik weet dat de natuur lang niet zo vanzelf spreekt als het lijkt. Dit wonder dient bovenal gekoesterd.

Jos Huibers

jos.huib@icloud.com