
Column 55: Vakantie 1
25 mei 2025 om 17:00 ColumnWij zijn op vakantie. Sinds we ‘uit de kinderen’ zijn doen we dat bij voorkeur in perioden dat andermans kinderen nog geen schoolvakantie hebben. Dan kom je op de campings en in de accomodaties voornamelijk rustige gepensioneerden tegen, vaak in gezelschap van een hond, of mensen met hele jonge kinderen, die nog geen bier drinken. Bovendien kun je dan voor dezelfde prijs twee keer zo lang.
Als mensen vragen wat we gaan doen, dan zeggen we, dat we gaan camperen. Hoewel dit hedendaagse werkwoord slechts verwijst naar ons vervoermiddel, volstaat het. Camperen is een werkwoord - net als liefde en Gorcumse vrede, maar dit terzijde - als je zou zeggen ‘we gaan autorijden, dan zou men vragen waarheen, maar bij camperen hoeft dat niet.
Het leuke van camperen, zegt men, is de vrijheid die je hebt om op elk moment een koers te kiezen. Je ziet wel waar je heen gaat. Net als rijden op de motorfiets staat camperen in de volksmond voor vrijheid. Dit in weerwil van de werkelijkheid. Motoren passeren immers doorgaans in onvrij ogende grote, lawaaiige groepen in en camperaars herhalen veelal de gebaande paden op weg naar plaatsen waar ze het in lang voorbije tijden zo leuk hadden. De vrije wil bestaat immers niet. Bij het ouder worden kies je liever voor het bekende dan voor het avontuur. Op een enkeling na natuurlijk.
Zo gaan wij voor de zoveelste keer richting Frankrijk en Noord Spanje. De eerste ervaring is, dat de afstanden veel langer lijken dan ze vroeger waren. ‘ Wat een pokkenend’, verzucht de vrouw. En inderdaad, waar je eertijds moeiteloos in één ruk over de tolweg naar Lyon scheurde, hobbelt het nu ellenlang voort in twee eindeloze, monotone etappes, terwijl je vecht tegen de slaap. ‘Waarom gaan we eigenlijk zover?’, klaagt de vrouw. ‘Dat kan ik beter aan jou vragen’, repliceer ik gevat, waarna zij zwijgt.
Het tweede dat opvalt is dat de stadjes en dorpjes er heel anders uit zien dan in de opgeslagen herinnering. ‘Vroeger was dit een schattig middeleeuws dorpje’, zegt de vrouw als wij kuieren in een middels moderne nieuwbouw uitgedijde stad. ‘En er zijn bijna nergens meer marktjes met brocante.’ Het derde dat opvalt is, dat waar je in je beste Frans of Spaans bestellingen hakkelt, wat vroeger zo leuk werd gevonden, je nu steevast in vloeiend Engels antwoord krijgt. ‘En voor het weer hoef je eigenlijk helemaal niet meer zo ver’, zegt de vrouw. ‘Tja, da’s waar’, mompel ik.
‘Volgend jaar kunnen we best in Nederland blijven’, zegt ze, ‘Limburg of Drenthe, of anders een stukje de grens over in Duitsland of België. Als je dan iets mankeert, dan kunnen ze je gewoon verstaan. Ook een voordeel’. ‘Ik vind het goed’, zeg ik. Ze dommelt een stuk snelweg weg. Bij het ontwaken, minstens honderd kilometer verder, heeft ze zich bedacht. ‘Maar we moeten eerst nog één keer Italië doen. En Griekenland.’ ‘Van wie moet dat dan’, vraag ik. ‘Nou gewoon, we hebben toch niet voor niks een camper.’ Volgend jaar ItaIië dus.
Jos Huibers
jos.huib@icloud.com