Aanhoudingen

6 maart 2009 om 00:00 Nieuws

Als binnenstadbewoner ben ik regelmatig getuige van het optreden van de bonnenbrigade. Meestal betreft het saai administratief werk. Een parkeerbon wordt uitgeprint en achter de ruitenwisser geschoven. De getroffen automobilist kijkt of er iemand is tegen wie hij zijn gram kan spuien. Geen handhaver te zien, dus het lot dan maar dragen. Sommigen zie ik de bon terugstoppen achter de wisser om vervolgens toch maar wat langer te gaan winkelen. Het kwaad is al geschied. Interessant wordt het, als het komt tot een confrontatie tussen de geverbaliseerde en de verbalisant. Koopavond in de binnenstad. De politie komt in actie: het verbaliseren van fietsende fietsers in het voetgangersgebied. En terecht! Geef aan de voetganger wat des voetgangers is. Aan deze variant op een Bijbelse quote moest ik denken bij het volgende tafereel. Zwaar trapte zwaar gereformeerde moeder met in haar kielzog drie dochters op hun fiets door de Gasthuisstraat. Een jonge agent verscheen als een engel der wrake uit een portiek en hield het kwartet aan. ‘Goedenavond dames. U weet dat u hier niet mag fietsen?’ En terwijl hij die woorden sprak werd het bonboekje getrokken. Moeke’s wangen kleurden. ‘Krijgen we nou allemaal een bekeuring?’ De agent knikte en vroeg om een legitimatie die ze niet bij zich hadden. De drie meiden stonden beteuterd en met neergeslagen ogen rond moeder de gans te kijken. Daar stonden ze dan. De Here had hen niet behoed. Terwijl de agent de namen noteerde scheurde een allochtoon jochie van een jaar of tien het gezelschap op zijn fiets voorbij. De agent kreeg het ineens heel druk. Verbaliseren en tegelijk een jochie aanhouden. Tot mijn verbazing trapte de jongeman hard op zijn rem toen de agent hem toeriep om te stoppen. Met een brutale swing liep hij naar de agent. ‘Ja wat?’ De agent gelastte de jongeman hier te blijven staan totdat hij klaar was met deze dames. Het ventje bemoeide zich ermee en zei tot de dames: ‘Krijgen jullie een bekeuring? Niet betalen hoor! En gewoon een valse naam opgeven.’ En hij trok er het meest olijke gezicht bij dat ik ooit van zo’n jochie zag. ‘U weet toch dat u verplicht bent een legitimatiebewijs bij u te hebben?’ vervolgde de agent. ‘Zij niet hoor, zij is nog geen veertien en jij moet ook zeggen dat je nog geen veertien bent, dat scheelt’, zei hij breed lachend. Wat een wetskennis voor dat joch. De agent verzocht hem zich er niet mee te bemoeien. ‘Ik help ze alleen maar hoor! Doei!’ Op dat moment zag hij zijn kans schoon, sprong op zijn fietsje en reed pijlsnel weg. Hij keek nog even achterom of er een achtervolging kwam, maar toen die uitbleef stak hij nog net even zijn tong uit en trapte met een blij gezicht verder. De agent had het voor het nakijken, maar het kwartet ook. Ik hoorde de moeder zeggen dat ze nog geen veertien waren. Blijkbaar stond ik te dicht bij het hele tafereel. De agent keek mij aan en vroeg of ik erbij hoorde. Ik ontkende en voelde me een beetje betrapt. ‘Wilt u dan doorlopen?’ Van een afstand zag ik dat er toch vier bonnen werden uitgeschreven. Een familiekorting zat er niet in. Streng doch rechtvaardig. Zo zijn we opgevoed toch?

Roy Grünewald

Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
advertentie