Afbeelding
Esmay Usmany

Tussen de regels van de stad: Op het eerste gezicht

16 oktober 2026 om 09:13 Column Mijn Gorinchem

Een paar maanden geleden kreeg ik een bijzondere vraag. Of er in het Gorcums Museum een vitrine ingericht mocht worden rondom mijn werk. Rondom de dingen die ik de afgelopen jaren met zoveel liefde heb gemaakt. Ik vond het een hele eer. En ergens ook een beetje ongemakkelijk. Want wanneer wordt iets wat je gewoon doet, omdat je niet anders kunt, ineens iets om achter glas te bewaren?

Afgelopen zaterdag werd de nieuwe tentoonstelling Op het eerste gezicht Portretkunst uit heden en verleden geopend. Een expositie waarin eeuwenoude portretten van schilder Harmanus Serin samenkomen met het werk van veertien hedendaagse kunstenaars. Gezichten van toen en nu. Mensen die ooit leefden, liefhadden, droomden. En van wie iets bewaard is gebleven. En ergens tussen al die portretten mocht ook een stukje van mijn leven een plek krijgen. Daar stond ik dan. Tussen mijn eigen woorden, met mijn lievelingsmensen om me heen. En in die vitrine lag een foto. Van mijn Indische opa en oma. Twee mensen die ooit hun vertrouwde wereld achterlieten en nooit konden weten waar het leven hun kinderen en kleinkinderen zou brengen. En nu lagen ze daar. In een museum in Gorinchem. Tussen het werk van hun kleindochter. Het raakte me, omdat ik besef dat geen enkel portret alleen het verhaal vertelt van degene die erop staat. Er staan altijd mensen achter. Generaties. Geschiedenissen. Liefde. En soms een heel leven dat ergens anders begon.

Buiten is het ondertussen herfst geworden. Langs de vestingwallen verkleuren de bomen. De stad wordt langzaam goud en de bladeren laten los. Ik heb altijd iets met de herfst gehad. Omdat dit seizoen zo mooi laat zien dat je niet alles hoeft vast te houden om het te kunnen bewaren. Want al die bladeren die naar beneden dwarrelen, verdwijnen niet zomaar. Ze worden onderdeel van de grond. Voeden de wortels. Geven iets terug aan de boom die ze ooit droeg. En ik bedacht me hoezeer dat eigenlijk op mensen lijkt. We laten allemaal iets achter. In onze kinderen. In de mensen die we ontmoeten. In de plekken waar we hebben geleefd. Soms zijn het grote dingen. Vaker zijn het kleine gebaren waarvan we nooit zullen weten hoeveel ze voor een ander hebben betekend.

Sinds januari mag ik stadsdichter zijn van Gorinchem. En wat ik zo mooi vind aan deze rol is dat het me leert om stil te staan. Terwijl ik in mijn werk vaak bezig ben met verhalen van ver weg, vraagt deze stad me om dichterbij te kijken. Naar de mensen die achter de voordeuren wonen. Naar bijvoorbeeld vrouwen die ik onlangs ontmoette in de Rozennobel, ieder met een eigen verhaal en die voor even een stukje van hun leven met mij deelden. Ik kwam er om voor hen gedichten te schrijven, maar ging naar huis met meer dan ik had meegebracht.

Dat gebeurt me steeds vaker. Het stadsdichterschap leert me dat een stad vooral bestaat uit alles wat mensen van zichzelf achterlaten. Een herinnering op een straathoek. Een gesprek op een bankje. Een naam die iemand nog altijd hardop noemt, ook al is diegene er niet meer. En tussen al die ontmoetingen, merk ik dat ik zelf ook steeds dieper wortel. Ik heb lang gedacht dat wortels vooral iets vertelden over waar je vandaan komt. Over je familiegeschiedenis. Over de grond waarop je voorouders ooit stonden. Maar wortels vertellen je minstens zoveel over waar je besluit te blijven. Waar je aandacht aan geeft. Voor wie je je hart opent. We wortelen niet alleen in de grond, maar ook in elkaar.

Ik kijk nog eens naar de foto van mijn opa en oma. Naar mijn dochter die tussen de vitrines rondloopt. Naar alles wat er tussen die generaties heeft plaatsgevonden. En denk aan hoe weinig we weten van wat we achterlaten. Mijn grootouders konden niet vermoeden dat hun keuzes ooit zouden uitmonden in een kleindochter die als stadsdichter gedichten schrijft voor deze stad. Net zoals ik niet weet welke woorden van mij ooit met iemand mee naar huis zullen gaan. Welke kleine ontmoeting blijft hangen. Of welk gedicht misschien nog eens opduikt in een la, lang nadat ik het geschreven heb. En dat is ook helemaal niet erg. Een boom vraagt zich tenslotte ook niet af wat er met zijn gevallen bladeren gebeurt. Hij laat ze los en vertrouwt erop dat de grond er iets mee doet.

Bij het verlaten van het museum ligt de herfst aan mijn voeten. Ik kijk achterom, naar het oude stadhuis waarin een stukje van mijn verleden is achtergebleven. En daarna kijk ik vooruit. Naar het plein, de fontein. Onze mooie vestingstad. Dat vind ik het mooiste aan wortels. Dat ze ons niet alleen verbinden met wat achter ons ligt, maar ons ook de stevigheid geven om ergens opnieuw te beginnen. En om te groeien. Hier. Op Gorcumse grond.

Esmay Usmany

Meer lezen? www.esmayusmany.com 

Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
advertentie